91
Het valt mij op dat er de laatste maanden bij veel mensen een mand voor op de fiets verschijnt.
Mijn moeder had vroeger ook een mand op haar fiets.
Op een dag vraagt zij mij of ik een boodschapje wil doen.
Met het lijstje loop ik naar de buiten, ik besluit moeders fiets te pakken.
Op straat is mijn jongste broertje aan het spelen, hij wil graag mee.
Ik heb een zwak voor hem, hij is een jaar of vier en heeft een brilletje.
Ik til hem op en zet hem voor mij in de mand.
Langzaam aan fietsen we naar de plaatselijke kruidenier, mijn broertje heeft reuze schik in het mandje en ziet alle vogeltjes vliegen.
Op de terugweg begint het te regenen, ik besluit iets harder te gaan trappen om zo droog mogelijk thuis te komen.
Ter hoogte van een boerderij op nog geen honderd meter van ons huis gaat het mis, een aantal loslopende kippen steekt de weg over, snel geef ik een ruk aan het stuur om ze te ontwijken, even later lig ik samen met mijn broertje in een heg.
Mijn broertje is uit het mandje gevallen en op de grond zien ik zijn brilletje liggen.
Met het lood in mijn schoenen keer ik huiswaarts, hoe ga ik dit vertellen, het oogappeltje van mijn vader en moeder van de fiets af laten donderen, dat is niet best.
Thuis word ik opgewacht door moeder, zij staat te wachten op de boodschappen, bij het zien van zijn moeder begint mijn broertje luidt te krijsen.
Wat is er met Roeltje aan de hand, en wat is er met zijn brilletje gebeurd vraagt mijn moeder in paniek.
Ik weet het niet mamma, antwoord ik beteuterd, ik heb hem zojuist meegenomen, hij stond te huilen op de stoep.